Geen producten in je winkelmand.

Maar of alleen?

Hij heeft … goed geholpen.
Hier staan … fietsen.

Ik heb … twee uur geslapen.
De plant is … giftig voor jonge kinderen.

Ik heb maar twee uur geslapen.
De plant is alleen giftig voor jonge kinderen.

MAAR
Maar’ gebruik je in combinatie met een telwoord. Het kan gaan om een concreet cijfer of om een algemene indicatie van hoeveelheid. ‘Maar’ betekent hier ‘niet meer dan’. In deze contexten kan je ‘maar’ vervangen door het woordje ‘slechts’.

         
 We hebben maar twee films van Tarantino gezien. (slechts twee films)
 Hij heeft maar weinig cd’s. (slechts weinig CD’s)

ALLEEN
Alleen’ duidt op een restrictie, een beperking. In dit soort contexten is ‘alleen’ synoniem van ‘uitsluitend’. Je kan ‘alleen’ ook vervangen door ‘enkel’.

         
 Hij werkt alleen voor het geld. (en voor niets anders)
 Het lukt alleen op deze manier. (en op geen enkele andere)

ALLEEN MAAR
Je kan hier ook ‘alleen maar’ gebruiken. ‘Alleen maar’ betekent hetzelfde als ‘alleen’. ‘Alleen maar’ is echter sterker. Het geeft je woorden dus meer nadruk.

         
 Hij werkt alleen maar voor het geld.
 Het lukt alleen maar op deze manier.

Zin in Nederlands

Door de site te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke blader ervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je klikt op "Accepteren" hieronder, dan geef je toestemming voor het gebruik van Cookies.

Sluiten