Geen producten in je winkelmand.

Het voorzetsel

Voorzetsel van positie

De bal ligt op de kast
De bal ligt onder de kast
De bal ligt in de kast
De bal ligt naast het huis
De bal ligt tussen de kast en de muur
De bal ligt voor de kast
De kast staat recht tegenover de tafel.

Voorzetsel van richting

De man stapt uit de winkel.
De man klimt op de muur.
De man loopt rond de kerk.
De man stapt langs de rivier.
De man stapt door de gang.
De man gaat naar de winkel.

Voorzetsel van tijd

Hij vertrekt om 14u.
Hij vertrekt op 24 januari.
Hij vertrekt na de vakantie.
Hij vertrekt over twee minuten.
Hij vertrekt binnen twee minuten.
Hij vertrekt rond 5u.
Hij vertrekt tijdens de les.
De les vindt plaats van 9u tot 16u.
Hij vertrok snel vooraleer de ruzie begon.
Sinds vorige week ga ik met de fiets naar het werk.

Zin in Nederlands